De ekster.

K: Mama, kijk, een ekster in de tuin.

Ik: Euh, ja, dat zou wel kunnen kloppen, maar ik weet het niet zeker.

K: Papa, dat is een ekster in de tuin, he?

P: Dat weet ik niet, jongen.

K: Moeke, dat is een ekster, he?

M: Ik weet dat niet, vent, ik ken eigenlijk niet veel vogels.

Google to the rescue dus. Ekster en afbeeldingen en … hij had gelijk.

Waar leert zo’n driejarige dat in vredesnaam? Héérlijk.

Kasperpraat / Gesprekken met Kasper.

  • Een giraf is mijn liefste dier en geel is mijn liefste kleur. Dat klinkt toch eigenlijk wel überschattig?!
  • ‘Ik ga dat wrattenzwijn kiezen. En ook deze pandabeer.’ Vader reageert dat er duidelijk was afgesproken dat hij één knuffeldier mocht kiezen in de winkel. ‘Maar die pandabeer is wel voor Annabelle he!” Dedju, zo grappig dat vader toestemde.
  • Juf A heeft een liefbeestje voor mij gemaakt en dan moet ik de stippen daarop tellen.
  • Tante Tinne is dood, hé. Dan kan ik niet meer daarmee spelen. Als hij dat ooit op school zegt, denken ze dat er zich hier recent drama’s hebben voorgedaan. Terwijl dat al bijna dertien jaar geleden is en hij er dus van zijn leven niet mee heeft gespeeld. Toch herhaalt hij dat héél vaak.
  • Kasper slaapt zonder pamper sinds een tijdje en na de eerste nacht was hij heel trots op zichzelf. In de winkel ziet hij iets dat hij graag wilt. ‘Mama, dat is voor kindjes die zonder pamper slapen.’ Uhm ja, ik denk dat het ook mee naar huis is gegaan. Misschien zo.
  • ‘Moet ik vandaag naar de abewaking?’ Intussen zegt hij het correct, maar hoewel hij wist dat het nabewaking was en het ook prima kon zeggen, heeft hij dat heel lang zo genoemd.
  • Op de speelplaats vraagt Kasper of we naar ons nieuw huis gaan kijken. Euh? ‘Ja’, zegt de juf van de nabewaking, ‘hij heeft dat hier helemaal zitten vertellen. Dat jullie in een nieuw huisje gaan wonen en dat hij dan ook een nieuwe kamer krijgt en dat Annabelle naast hem in zijn kamer gaat slapen dan.’ Hahaha, we waren aan het overwegen of we een nieuwbouwwoning zouden kopen en waren eens gaan kijken waar die grond gelegen was. Al de rest heeft hij zelf verzonnen. Aan fantasie geen gebrek!
  • Die saus / dat medicijn / die groente is een beetje zuur, hé mama. Voor alles wat hij niet zo lekker vindt. Zuur is zeker een excuus om het niet te hoeven opeten.
  • Opa, ik wil een gaatje eten van jouw kaas.
  • Jij hebt precies een walvis vast! Een sandwich met een deuk in dus.
  • Er ligt precies een boom op jouw bord. Mijn risotto neemt blijkbaar vreemde vormen aan.
  • Ik ga alle boterhammen opeten en alle vleesjes van K3 en dan ga ik aaaaaaalle koeken van Annabelle opeten en jouw pudding. Hoor hem bezig, ons muizenetertje.
  • ‘Ik heb vandaag een geel cadeautje gemaakt. Maar ik mocht het van juf A niet vanbinnen verven.’ En wat zit er dan in dat cadeautje? ‘Niks, het is gewoon een cadeautje.’ Oh ok. En wat ga je daar dan mee doen? ‘Aan mijzelf geven.’ Presentjes voor uzelf, dat moet je al van jongsafaan leren.
  • K: Mamaaaa. Ik: Ja? K: Dat is wel niet tegen u, he! Ik ben wel tegen mama giraf aan het praten. OK dan.
  • K: Mama, wat eet de oryx? Ik: euh, dat weet ik niet zo goed, vent. K: Ga jij dan op je telefoon kijken? Google to the rescue, héél vaak.
  • Ik: Kijk, Kasper, Jeroen gaat een taart maken met citroen. Dat vind ik wel heel lekker! K: Kijk, Annabelle, Jeroen gaat een taart maken met citroen. Dat vindt mama wel heel lekker! Groot tegen klein in het kwadraat dan.
  • Kasper vraagt in de auto aan mij of ik een kraai een leuk dier vind. ‘Ik vind wel dat die een grappig geluid maakt, een kraai’, zeg ik. ‘Papa, paaapa. Mama vind dat een kraai een grappig geluid maakt!’ Die zit daar gewoon naast en heeft mijn antwoord dus ook wel gehoord, hé flippo.
  • Mama, ga jij aan mijn spierballen voelen of ik sterk ben? Ik knijp in zijn spierballen. Maar nee, hier! Wijst naar elleboog.
  • Mama, ik ben wel heel moe, ik moet in mijn bedje slapen. Niet geheel toevallig eindigt dat meestal zonder slapen, maar intussen heeft hij dan toch een paar minuutjes kunnen tutten.
  • Kasper mag soms een balletje draaien in de supermarkt, als hij flink is geweest. Meestal zit er een diertje in. ‘Hoe heet deze?’, vraagt de echtgenoot. ‘Kididi’, zegt die kleine bloedserieus. Intussen hebben we hier dus inderdaad een Kididi, die regelmatig ter sprake komt. De week nadien draait hij hetzelfde eendje, maar dan in het geel (Kididi is paars). ‘Hoe heet deze?’, vraag ik. ‘Spaghetti.’ Wij liggen al in een deuk. ‘Spaghetti met soep is die zijn naam.’
  • We zitten in de auto en plots: ‘Mamaa? Maaamaaaaa.’ Wat is er jongen? ‘Mama, ben jij mijn moeder?’ Ja. ‘En wie is papa dan?’
  • Mama, jij moet Annabelle misschien op de grond zetten. Hij wilt graag zelf met mij spelen …
  • Mama, Annabelle wil graag een koek. Een gevalletje van projectie!
  • De juf van de nabewaking vertelt dat Kasper op een bepaald moment niet zo goed had geluisterd. De juf had gevraagd: ‘Seg, waar zijn jouw oren?’ Meneertje had geantwoord: ‘Thuis. Mijn mama is die vergeten mee te geven!’
  • De mama van R is naar mijn school gekomen. Maar de mama van R heeft geen pomp, he mama? Cfr mijn insulinepomp dus.i
  • Dat heb jij lekker gemaakt! Bijna iedere dag. Bij voorkeur wel voor hij nog maar een hap heeft gedaan, achteraf zijn de meningen soms anders.
  • Juf A, wij gaan spaghetti eten, hoor! Euh? Wishfull thinking, makker.
  • Kasper, we gaan binnenkort je tutjes in de vuilbak gooien, he. ‘Ja ja, op de gele dag.’ Alles wat hij niet zo graag wilt, moet altijd op die gele dag gebeuren.
  • Maar mama, jij hebt lang haar! Ik wil dat niet! Jij moet een staart doen. Iedere. Dag. Opnieuw. Meneer wil niet dat ik mijn haar los doe. Op mijn vraag waarom: ik ben daar bang van.
  • Er was een kuikentje in onze klas, mama. Oh! Wat leuk! Een echt kuiken? Of een knuffel? Ma nee! Een echt! Het moest op de handdoeken blijven. Oh. En mochten jullie dat kuikentje aaien? Ja. Maar ik wou dat niet. Oh, was je een beetje bang? Maar wel veel, hoor! Ik heb dat niet geaaid. Maar M wel, hoor! Later bleek de hele klas dat dier geaaid te hebben, alleen meneertje brulde de boel bij mekaar.
  • Ga jij dat boekje voor mij voorlezen? Tegen een meisje van 4,5 dat dus duidelijk zelf nog niet kan lezen.

 

Gesprekken met Kasper I.

De laatste maanden kan je met onze oudste pagadder echt al gesprekjes voeren. Soms moet je wel de juiste vragen stellen om iets te weten te komen, maar soms vertelt hij ook dingen uit zichzelf. En soms … ontspinnen er zich gewoon hilarische gesprekken zomaar uit het niets. De onderstaande situaties deden zich allemaal voor tussen zijn tweede verjaardag en de geboorte van Annabelle.

Hoofdrolspelers: de echtgenoot (E), Kasper (K) en ik (I).
Situatieschets: de heren zijn in de badkamer, terwijl ik mij sta aan te kleden in de slaapkamer ernaast. De echtgenoot doet verwoedde pogingen om de zoon zijn eigen naam correct te laten uitspreken, maar die weigert dat koppig.

E: Maar probeer het nu eens, je kunt dat wel! Kassssssper.
K: Nee! Niet ssssss. Karper!
E: Maar allez nu. Mama en papa hebben die naam speciaal voor jou gekozen omdat we die zo mooi vinden!
K: Is. Niet. Mooi.
E: Vind jij de naam Kasper niet mooi?! Papa wel, hoor!
K: Nee!
E: OK, dan, zullen we je dan vanaf nu gewoon maar Guido noemen?
K: Ja! Ik bent Guido.
E: OK, Guido, kom we gaan naar mama.
I: Dag Kasper, heb je goed geslapen?
K: Ik bent niet Karper, ik bent Guido!
I: Maar nee, jij heet toch Kasper, hé.
K: (licht hysterisch) Nee, ik bent Guido!
E: Kom, we gaan dat niet meer zeggen, want dat is niet waar, hé. Jij bent Kasper, dat van Guido was maar een grapje van papa.
K: (compleet over zijn toeren) Ik bent Guido! Jij moet Guido zeggen, papa! Ik bent Guido!

Hoofdrolspelers: Kasper (K) en ikzelf (I).
Situatieschets: ik zit met Kasper aan tafel. We zijn gisteren naar de zoo geweest en hebben daar allerlei dieren gespot. De nieuwe favoriet is de okapi, dus ook nu staat Kasper zijn kwebbel daar niet over stil. De okapi in kwestie heet Qira en we hebben hem dat ook verteld.

K: Mama, ik hebt opika gezien!
I: Ik weet het, dat was een mooi diertje, hé! Weet je nog hoe die okapi heette?
K: Ja, dat is Qira!
I: Dat klopt.
Even stilte, intussen staart Kasper naar zijn beker waarop Heidi en Peter en de hond Jozef staan.
K: Mamaaa. Hondje bij peter is ook Kira.
I: Nee, die hond heet Jozef, dat weet je toch? De hond van Heidi is Jozef.
K: (verontwaardigd) Hondje bij peter, mama! Dat is Kira.
Moeder ziet plots het licht: de laatste twee keer dat we bij zijn dooppeter op een feestje waren, had diens schoonbroer ook zijn hond bij. Kira, jawel.
I: Aaaaah, bedoel jij die hond die bij je peter in de tuin was?
K: Ja, die hondje is Kira.
I: (compleet verbijsterd) Inderdaad, je hebt gelijk.

Hoofdrolspelers: Kasper (K)
Situatieschets: naar aanleiding van alle voetbalmatchen heeft de echtgenoot Kasper een naam geleerd: Romelu Lukaku. Daarnaast weet Kasper ook dat al die vlaggen die aan de gevels hangen iets te maken hebben met de voetbal. We komen buiten bij mijn zus en zien een vlag bij een huis aan de overkant van de straat.

K: Kijk, papa, daar woont Lukaku!

Hoofdrolspelers: Kasper (K) en M., zijn favoriete verzorgster in de crèche
Situatieschets: Kasper is tegen een kastdeur gelopen en begint luid te wenen. Er ontwikkelt zich razendsnel een gigantische buil (mét bloed) op zijn voorhoofd, dus de verzorgsters ondernemen actie. Ik had er ook nog nooit van gehoord, maar ze deden er ijs op én boter. Boter?! Ja, blijkbaar zou dat de zwelling en vooral blauwe plekken tegengaan. Ik moet toegeven dat het er vrij snel behoorlijk goed uitzag. Meneertje huilde dus nog steeds tranen met tuiten toen ze met die boter afkwamen.

K: Maar nee, M., dat is niet juist! Boter moet niet oppe hoofd, boter is voor oppe bokes!

Hoofdrolspelers: Kasper (K) en ikzelf (I).
Situatieschets: ik ben mijn insuline en mijn katheter aan het vervangen en Kasper komt even kijken.

K: Doe jij nu, mama?
I: Ik ben eventjes mijn medicijn aan het klaarmaken.
Ik laat intussen mijn insulinepomp even zien. K: Oh… Dat is pompen. Jij moet pompen.
I: Wow, weet jij dat? Maar je hebt gelijk, ja, dat moet ik doen.
K: Jij moet dat nog daaraan doen! Wijst naar de katheter op mijn buik, waaraan ik inderdaad de lijn met insuline nog moet verbinden.

 

Goud in een potteke #17.

  • Calippo’s
  • Het gezicht van Kasper toen hij zijn eerste Bumba-ijsje ooit kreeg aangereikt.
  • De zoon die thuiskwam na een dagje zoo met opa en blijkbaar nogal onder de indruk was van de zeeleeuwenshow. ‘Die eten visjes. Die spelen ook met de bal. En die maken heel veel lawaai! Die meneer blaast oppe fluitje. En die zeeleeuwen doeten zo mama! (Klapt in zijn handjes) Dan zeggen die dag Kasper.’
  • Grootvader die met zijn kleinzoon gaat voetballen. 
  • De eerste keer mosselen dit jaar.
  • Een uurtje kunnen gaan slapen, terwijl de kraamzorg Annabelle vasthoudt of op haar schoot laat slapen.
  • Buiten eten.
  • Babbeltjes met de buren. Wij hadden nooit veel contact, maar omdat ze zo zot zijn van onze kroost, gebeurt dat nu plots wel regelmatig.
  • Brandnetelthee. Een ietwat vreemd kraamcadeau, maar ik vond het wél erg lekker.
  • Mooi weer.

Kasperpraat III.

Kasper is intussen twee jaar en bijna vijf maanden. Intussen tatert hij nog steeds de oren van ons hoofd. Hij praat vaak in volzinnen en iedere week valt mijn mond wel weer eens open van nieuwe zinsconstructies die hij correct weet te maken. Hij is zo enthousiast en heeft zo’n grote woordenschat, dat hij echter vaak over zijn woorden struikelt. Het lijkt dan alsof zijn plaat blijft hangen; hij herhaalt drie keer dezelfde twee woorden en gaat dan pas verder. Het is al mogelijk om echte conversaties met hem te voeren en ik geniet daarvan met volle teugen. Ik geloof dat ik maar eens een nieuw rubriekje moet opstarten met sommige van die conversaties, want ze zijn soms echt hilarisch. Deze rubriek blijft dan bestaan om wat woorden op te lijsten die hij op een eh … ‘specifieke’ manier gebruikt, vaak als in gewoon lekker fout.

  • nonneGie – hij keek een beetje verbaasd dat nonkel Gie niet wist dat het tegen hem was …
  • opika – die wordt even hardnekkig als de ollika destijds, denk ik. De okapi, dus.
  • Dan komt grote Annabelle. – ik moest even nadenken, maar na wat vragen bleek dat het om mijn vriendin Isabel ging. Ik begreep ook plots waarom hij in het moederhuis wist dat de baby zusje was, maar dat hij maar bleef vragen: ‘waar is Annabelle nu toch?’
  • Papa moet jou pakken. – Hij had lang wat moeite met het concept jou en mij. Hoe een mens dat aan zo’n kind uit moet leggen … Probeer dat maar eens. Je gaat erop vastlopen, ik zweer het u! (Intussen heeft hij het uit zichzelf uitgedokterd precies. Hallelujah!)
  • Allemaal fietseren oppe tv, mama! – we kijken naar een of andere ronde
  • Oei, alle lichtjes zijn kapot. – Het zou misschien kunnen helpen van ze gewoon aan te steken.
  • Twéé Lukaku’s zijn gevallen! – we kunnen stoeffen met zijn voetbalkennis, maar ik denk dat hij gewoon twee zwarte voetballende medemensen bedoelt…
  • Zusje hebt drie bedjes – haar mand, de maxi cosi die nog boven stond en de wipper …
  • Ik lust da graag ni – nadat hij met smaak 2/3e heeft verorberd, maar dat laatste beetje absoluut niet meer wilt opeten
  • Kadda hebt cadeautje gebrengt! – die mens is nu zijn grote held, terwijl hij gewoon een internetbestelling kwam brengen die geleverd was toen ik niet thuis was…
  • Euuuuh… – als je hem een vraag stelt, voordat hij gaat antwoorden
  • Karper – nog steeds zijn versie van zijn eigen naam. Hij kan alle namen van de crèche perfect zeggen, maar die van zichzelf dan niet?! Allez komaan … Kaspie kan hij wel zeggen, Kas en Per ook, maar Kasper … Zucht!

Kasperpraat II.

Kasper is twee jaar en ruim twee maanden en tatert heelder dagen door. Er is niets zaligers dan die taalontwikkeling van dichtbij te mogen ontdekken. Omdat ik over een paar jaar (ok, maanden) nooit meer ga weten hoe dat weer allemaal liep, noteer ik dus op tijd en stond al eens iets.

  • Ik sta in de keuken eten te maken en ik word nauwlettend in het oog gehouden. Alles wat ik doe, wordt ook becommentarieerd. We maken er dan maar een halve kookles van ook, hé. Oe, patatjes in de pan mama?I Euh, ja, dat is een aardappeltortilla, dus dat gaan we bakken. Ook boter in? Ja, als we iets bakken, dan doen we er een beetje boter bij. Oh, worsten ook bakken? Uhu. Erwtjes ook maken! Erwtjes koken. Ja, als we het in water doen, dan gaan we het koken. Mama ook nog zout erop doen. (Hier viel mijn mond even open …
  • Panters vechten, mama. Da mag ni! Mobli speelt met de babykrokodil. Waar is papa krokodil nu toch? Grote aap komt kleine krokodil pakken! Papa krokodil baby zoeken. Jaaaa, daar is papa! Kasper kijkt naar Jungle book.
  • De echtgenoot bracht de zoon naar zijn mama. Bij aankomst haalt hij eerst de buggy uit de auto en dan stapt hij naar de zoon, die hem begroet met de vraag: ‘Papa, mag ik in buggy zitten?’ De eerste échte fatsoenlijk geformuleerde vraag! Mijn lief was zo trots, dat hij me meteen opbelde om het te vertellen.
  • De dagen nadien perfectioneerde het zoneke zijn gevraag, waardoor het nu dus constat van dattem is. ‘Mama, mag ik papier hebben?’ ‘Papa, mag ik eventjes door?’ ‘Papa, mag ik nog vijf minuutjes spelen?’ ‘Mama, mag ik een beetje water drinken?’ Het probleem is alleen dat we op zo’n moment zo moeilijk kunnen weigeren. Als er zo’n goed gestelde vraag uit zo’n kabouter komt … dat is te veel voor ons weke ouderhart.
  • Oei, mama toch! Telkens als mama iets minder intelligents doet …
  • Ikke in de grote bed slapen! Nee, dat mag hij niet. Alleen als hij ziek is of als hij ‘s morgens net voor de wekker wakker wordt.·
  • Mijn man vindt het nogal tof om namen te vervormen. Kasper wordt dus Kaspiewaspie, mama is soms ook wel mamita of hijzelf is papito. Kasper neemt dat vrij vlot over, maar is er niet altijd mee gediend. “Kom, we gaan naar moekie-de-woekipoekie”, zegt de echtgenoot dan, waarop Kasper luidkeels: “Nee, gewoon moeke!” OK, dan …

  • Zijn favoriet als wij zeggen dat iets niet mag: “Da mag wel!”. Variërend in gradaties van hysterie.

  • Papa ook dikke buik, veel eten erin! Ik voorvoel hier al pijnlijke situaties in het openbaar …

  • Meneertje lijkt er zich plots toch van bewust te zijn dat er hier het één en ander gaat veranderen in de komende tijd. Mijn moeder kwam even babysitten en Kasper stak meteen van wal: “Kijk, oma, allemaal kleren van zusje. Kom, samen kijken!” Oma moest dus alles bestuderen en natuurlijk achteraf terug opplooien en intussen taterde de zoon er maar op los: “Broekje is klein. Ikke past nie erin. Kleren is voor zusje.” Mijn moeder vroeg waar het zusje dan wel was, waarop hij: “Zusje nog in dikke buik van mama. Nog een beetje wachten.”
  • Kijk, mama, ikke hebt gekookt. En dan moet ik natuurlijk aardbeien met pompoen en citroen met wortel eten.

  • Meneer heeft post gebrengt. Denk ik. Hij denkt nogal veel, die kleine van ons. En hij is fan van de postbode, dat ook.

  • Papa en Karper samen kijken of post is. Ik weet het niet. Wij waarschuwen hem altijd dat het ook wel eens zou kunnen dat er géén post is, dat we dat nooit op voorhand weten …

  • Papa, wat doe jij nu? Meestal gewoon op een stoel zitten ofzo, hoor, mijn lief doet hier echt geen rare dingen.

  • Ik zie de verzorgster niet en ik vraag dus aan Kasper of Dunya vandaag niet is gekomen. Nee, Dunya tandjes pijn. Bij navraag bleek dat inderdaad te kloppen.

  • Dat is mijn mamaaaaaa! Enthousiast in de crèche tegen andere ouders of verzorgsters, nadat hij blijkbaar al een keer of drie heel teleurgesteld moest toekijken dat andere ouders hun kindje kwamen ophalen.

  • Hoort, mama, dat is potiewagen. Ik laat het verschil tussen polities en ambulances en brandweer voorlopig maar even achterwege.

  • Oei, lichtje is rood. Auto’s ammaal stoppen! Nu lichtje is groen. Ja, naar beneden rijden nu. Commentaar als hij met zijn parkeergarage speelt.

  • Nog vijf minuutjes, mama! Meneer wilt nog spelen en wij zeggen dat het eigenlijk wel bedtijd is.

  • Oei, is tregenen. De samensmelting van ‘het is aan het regenen’ dus. Misschien moeten we zelf eens wat beter articuleren.

  • Papa biet komen en met Karper spelen. Oeie, ons dialect (subiet) laten we misschien dan ook beter wat achterwege.

  • Papa nog in de auto, mama? ‘Ja, papa staat in de file’, zeg ik en ik leg uit dat dat veeeeel auto’s zijn en dat je daardoor maar heel traag kunt rijden. ‘File is stom’, zeg ik nog. Ja, file is stom. File is niet leuk! Papa moet uit de auto komen. Ik peins dat hij het concept file helemaal gesnopen heeft!

  • Oei, mama heeft snottebel. Véél! Nog neus snuiten, mama? De oermoeder der verkoudheden is weer eens op bezoek en zorgt er dus voor dat ik af en toe (…) mijn neus eens moet snuiten.

  • Ik wil niet reclame kijken. Meneer is gewoon aan opgenomen programma’s waar we die rommel dus kunnen doorspoelen.

  • Ik wul Shaun kijken oppe computer. De tv is niet meer goed genoeg voor meneer of wat?

  • Mammie, mag ik nog één koekje? Hij weet dus ook al wanneer hij een koosnaampje moet gebruiken …

  • Ook groentjes kopen. Kommer en tomaat en worstel ook. Ik heb net gezegd dat we lekkere frietjes gaan kopen in het frituur …

  • Mevrouw, mag ik één snoepje? In de winkel tegen de kassierster, nadat eerst papa en daarna mama natuurlijk nee hebben gezegd.

  • Babykoe is kalfje. Babypaard is veulen. Babyvarken is biggetje. Babyhond is … puppyyyyy! Babykip is kuikentje. Ik sta nogal verstomd en vraag hem wie hem dat nu weer allemaal heeft geleerd. Antwoord: ikke.
  • Papa is stom. Vooral als hij onze kleine vriend iets heeft verboden. Kan ook gevarieerd worden met mama / moeke / oma / … .

  • Dat is een bloteflietvogel. Ok dan …
  • Ikke wul cocolakoekje. Aangezien hij geen chocola lust en dat zelf donders goed weet, moest ik dus verder zoeken … Het bleek speculaas te zijn.

 

  • Meneer de gras opruimen, papa? Het gras afmaaien, het zou er wel voor kunnen doorgaan toch?
  • Mama heppelen! Als hij wat last heeft om het laatste beetje rijst uit zijn bord geschept te krijgen.
  • Stakjes komt oma ons huisje.
  • Nee, papa, da mag nie! Mag nie kindjes opeten.
  • Een, twee, drie, vier, acht, zeven, negen … viiiijjjjf!
  • Mama, in de keuken! Awel ja …
  • Papa, kijk is naar mij! Met zijn handje duwt hij dan ook nog papa zijn gezicht in zijn richting. Het is duidelijk verboden een gesprek met je vrouw te voeren terwijl je kind op je schoot naar tv ligt te kijken.
  • Poesje is nog beetje drietig.
  • We proberen hem overdag zo weinig mogelijk een tutje te laten gebruiken. Ik zeg dan altijd dat hij dat niet nodig heeft.
  • Wel nodig, mama. Eventjes maar! Het strafste is dan nog dat hij na een minuutje ofzo die dan ook zelf komt teruggeven.
  • Buurman heeft doos gebrengt. Cadeautje Karper erin. Dat was dus een bestelling die ik online had gedaan, maar moeder heeft dat cadeau duidelijk niet gegeven, ’t is van de buurman …
  • Ikke zak vasthouden! Meneer wilt zelf zijn rugzak vasthouden terwijl we op de fiets zetten. ‘Ok, maar goéd vasthouden he vriend’, zeg ik dan, ‘want anders?’ Anders vallen oppe grond. En wat gebeurt er dan? Dan mama in de mand doen. Voilà, zeg nu nog dat hij niet gewaarschuwd is. 😛